De Brabantse Gotiek en het architectengeslacht Keldermans
Bron : De Wete 1985 nr 2 door Peter Don
De steden beleefden in de late middeleeuwen, zeker in het door lakennijverheid en handel sterk opkomende Brabant, een bloeiperiode. De bestaande, veelal nog in de romaanse stijl opgetrokken stadskerken bleken al gauw te klein en men ging ze, na kennismaking met de nieuwe, gotische bouwstijl, natuurlijk ook ouderwets vinden. Gevolg was een enorme bouwactiviteit:
elke zichzelf respecterende stad begon haar oude kerkgebouw stukje bij
beetje te vervangen door een grotere en in de nieuwe stijl ontworpen kerk. Overal moet men in deze periode die geleidelijke modernisering, -nood-zakelijk omdat de gelijktijdige vernieuwing van alle delen van een grote stads-kerk de financiële mogelijkheden verre te boven ging en ook omdat men natuurlijk niet gedurende een lange periode geheel zonder kerkruimte kon-, hebben kunnen waarnemen.{mospagebreak}Vaak werd eerst het oude koor vervangen: de nieuwe koorpartij stond dan korte of langere tijd aangebouwd tegen een nog niet gemoderniseerd, veel kleiner romaans schip. Een prachtig voorbeeld van deze situatie levert heden ten dage nog steeds de kathedraal van Beauvais in Frankrijk, waar de bouw van de enorme koorpartij zoveel inspanning vergde, dat men daarna nooit meer aan de vernieuwing van het thans nog steeds bestaande lage schip is toegekomen. Maar nu terug naar Mechelen: de kerk die daar door destadsbrand van 1342 zwaar werd beschadigd, was een, in ieder geval al vooreen deel gemoderni-seerd, gotisch gebouw. Het vroeg -Hde-eeuwse schip was na de brand nog te herstellen, maar het koor werd tussen 1342 en 1375 geheel nieuw opgetrokken.
De architect van dit nieuwe, zowel in- als uitwendig rijk versierde en van een omgang met
zeven straalkapellen voorziene koor was waarschijnlijk Jan van Osy, afkomstig uit Frankrijk
of Wallonië. Zijn schepping wordt wel als het eerste voortbrengsel van de Brabantse gotiek
gezien, gevolgd door de koor-partijen van de Onze Lieve Vrouwekathedraal van Antwerpen en
de St. Jan te 's-Hertogenbosch. Wat is nu precies die Brabantse gotiek? De gotiek in ruime
zin, gekenmerkt door de spitsboog, het kruisribgewelf en de hoge, door grote vensters
lichte binnenruimte, ontstond in de 12de eeuw in Frankrijk en groeide daar uit tot de van
de groteFranse kathedralen welbekende bouwstijl. De Brabantse bouw-meesters grepen
weliswaar terug op de Franse voorbeelden, maar zij ont-wikkelen in de loop van de 14e eeuw
toch een eigen interpretatie van de klassieke gotische stijl. Tegenover de uitbundige
versieringen van de in Frankrijk opkomende flam-boyante gotiek ontwikkelden de Brabanders
een eigen ornamentiek, met als centraal motief het zogenaamde koolblad. We vinden dit
gekrulde, inderdaad op een koolblad gelijkende ornament eindeloos gevarieerd in de
Brabants-gotische kerken, in steen gehakt, aan de kapitelen van de zuilen tussen de
beuken,bladkapiteel veelvuldig tegen, zo bij voorbeeld in de kerken van Brouwershaven,
Tholen, Goes, Veere en Hulst. Het motief was overigens niet voorbehouden aan kerkelijke
architectuur, getuige ondermeer de versiering van de topgevels van het Middelburgse
stadhuis. Uit deze voorbeelden blijkt al duidelijk dat de stijl zich ook buiten het
hertog-dom Brabant deed gelden. Grote delen van het tegenwoordige Nederland kwamen
bouwkunstig gezien onder Brabantse invloed. Zo verrezen bouw-werken (of delen daarvan) in
Brabants-gotische stijl ondermeer in Delft (Oude kerk). Utrecht (kasteel Vredenburg),
Alkmaar (Grote kerk), Bergen op Zoom (Markiezenhof en Geertruidskerk), Zierikzee (St.
-Lievensmonstertoren) en Culemborg (stadshuis). De laatste opsomming is overigens niet
geheel willekeurig; zij brengt ons bij het tweede onderwerp van dit artikel, omdat aan alle
genoemde werken door een of meer leden van de architectenfamilie Keldermans is
(mee)gewerkt.
Jan van Mansdale was de stamvader van deze familie, die voor de ontwikkeling van de
Brabantse gotiek tot een zelfstandige stijl van zo grote betekenis is geweest. Van
Mansdale, in de vakliteratuur ook wel Jan I genoemd (omdat in de omvangrijke familie
dezelfde voornamen steeds weer opduiken, zijn alle leden die zich als beeldend kunstenaar
en/of architekt hebben onderscheiden voorzien van een nummer, dit om verwarring te
voorkomen), leefde omstreeks 1400 als steenhouwer in Brussel, waar hij een huis bewoonde,
genaamd 'het Kelderken'. De familie, die zich later in Mechelen vestigde, dankt aan dit
huis haar naam. De Keldermansen leidden gedurende een aantal opeenvolgende generaties een
bloeiend familiebedrijf. Voortgekomen uit de steenhouwerij, ontwikkelde dit bedrijf zich
snel tot wat wij nu een architectenbureau zouden noemen. Hierbij moeten we overigens
bedenken dat de combinatie steenhouwer/beeldhouwer/ architect in de middeleeuwen bepaald
niet ongebruikelijk was. De bouwmees-ter was nog niet, zoals tegenwoordig, louter
ontwerper; hij was vanuit de praktijk van het bouwbedrijf tot het ontwerpen gekomen en hij
bleef ook vaak zijn oude vak beoefenen.
In het familiebedrijf der Keldermansen leidden de vaders hun zonen en de ooms hun neven op.
In de bronnen (veelal stads- of kerkrekeningen) komt veelvuldig de vermelding voor van het
bezoek van een Keldermans, aan wie de leiding van een werk ter plaatse was toevertrouwd, in
gezelschap van een jong familielid, kennelijk in opleiding. Bij de vaak lang lopende
bouwprojecten (soms vele decennia) kwam het ook nogal eens voor dat de bouwmeester vóór de
voltooiing overleed; vrijwel altijd werd hij dan door een familielid opge-volgd. Zo zette
bij de bouw van het stadhuis van Middelburg Anthonis I in 1506 het werk van zijn vader
Andries I voort, om enkele jaren later, in 1512, op zijn beurt opgevolgd te worden door
zijn zoon Rombout II. Nog verschil-lende andere familieleden droegen hier hun steentje bij
en voor zover ons nu bekend, werkten aan het Middelburgse stadhuis in de loop der tijd niet
minder dan negen verschillende Keldermansen! De bezoeken van de architect aan de bouwplaats
duurden zelden lang en vonden met grote tussenpozen plaats. Anderzijds blijkt uit de
bronnen dat de Keldermansen op veel plaatsen tegelijk actief waren. Om dit te kunnen
begrijpen moeten we iets meer weten van de toenmalige organisatie van het bouwbedrijf. Bij
grote opdrachten kreeg een gerenommeerd bouwmeester de algehele leiding, hetgeen inhield
dat hij het ontwerp leverde. De eigenlijke bouw vond vervolgens, na goedkeuring van het
ontwerp, plaats onder de dagelijkse leiding van de stadsmetselaar en de stadstimmerman.
De architect maakte vanuit zijn woonplaats geregeld een reis langs de verschillende
projecten die hij onder handen had en inspecteerde dan de voortgang, gaf adviezen en
regelde de steenleveranties. De rekeningen getuigen van een in het algemeen zeer royale
ontvangst van de architect door zijn opdrachtgevers. Ter plaatse regelde-hij bovendien
naast het grote werk ook nog wel eens een aardige 'bijverdienste', bij voorbeeld de
levering van een poort, een bordes of een graftombe. Zo bouwde Anthonis I in 1485 een
stenen galg in Middelburg en leverde Mattnijs 11 in 1493 steen voor een schandpaal op de
Markt aldaar. Deze werkwijze bracht met zich mee dat de stijlinvloeden vanuit een bepaald
centrum, in dit geval Mechelen, snel op veel plaatsen tegelijk konden door-dringen.
Belangrijk is in dit verband met name de rechtstreekse betrokkenheid van de architect bij
de levering van de natuursteen. In Zeeland en Holland, waar geen natuursteen werd gewonnen,
was men af-hankelijk van import. Aanvankelijk kwam veel van de door de Brabanders gebruikte
natuursteen uit de omgeving van Brussel. Het was een witte korrelige zandsteen, die in twee
soorten voorkwam, Gobertange- en Ledesteen.
Deze steen werd vooral veel gebruikt voor het bekleden van gevels. Vanaf omstreeks 1470
haalden de Keldermansen bovendien veel Bentheimer steen, een hardere zandsteensoort met
veel donkerder verweringskleur, uit het gebied even over de tegenwoordige Duitse grens, ten
oosten van Oldenzaal. Al deze natuursteen werd eerst naar Mechelen gebracht, daar bewerkt
en vervolgens pas naar de verschillende bouwplaatsen vervoerd. Dit betekende de
aanwezigheid van grote werkplaatsen in Mechelen, waar steenhouwers onderdelen van gebouwen,
zoals kozijnen, geprofileerde lijsten, balustrades, kapitelen enzovoort, voor een groot
gebied vervaardigden, een voor de verspreiding van een stijl zeer gunstige situatie. Een
laatste aspect dat zeker genoemd moet worden is de torenbouw der Keldermansen, waarmee we
weer in Mechelen zijn teruggekeerd. De Romboutstoren, rond 1450 begonnen en nooit voltooid,
vertoont in veel op-zichten overeenkomst met de Zierikzeese toren, waarvoor in 1454 de
eerste steen werd gelegd. Voor beide torens is ons uit latere gravures een ontwerp van een
nooit tot stand gekomen spits bekend. Over het auteurschap van deze twee ontwerpen
(Anthonis I of Rombout II?) is men het nog niet eens kunnen worden. Wel is uit de
afbeeldingen duidelijk dat het zeer uitbundig versierde spitsen hadden moeten worden,
enigszins vergelijkbaar met de spits van de toren van de Antwerpse kathedraal. Het
bovenstaande is niet meer dan een zeer summiere inleiding in een onderwerp van enorme
omvang. Tot op heden heeft jammer genoeg nog niemand het aangedurfd een samenvattende
studie over de Keldermansen te schrijven, gebaseerd op archiefonderzoek in alle plaatsen
waar zij actief zijn geweest. Enkele artikelen, omstreeks 1950 gepuybliceerd in Gent en in
Mechelen, Cormen een goed uitgangspunt, maar veel blijft nog te onderzoeken. .

